donderdag, november 14, 2019
Non-fictie

Binnen de perken (fragment)

Mijn tuin wordt een zogeheten natuurlijke tuin. Ik haal de tegels eruit om de waterafvoer te verbeteren, ik plant heesters als schuilplaats voor vogels en mijn bloemborders worden een gaarkeuken voor de met uitsterven bedreigde bijen. De buxushaag heb ik eruit gehaald. Daar was de buxusrups in gaan zitten, de larve van een van oorsprong Aziatisch motje dat sinds een paar jaar Nederland aan het veroveren is. Buxusrupsen eten in een mum van tijd een hele haag kaal om vervolgens te verpoppen en een volgende generatie eitjes te leggen in de tuin van de buren. Volgens de definitie van de Nederlandse Voedsel- en Waternautoriteit (NVWA) is het een zogeheten invasieve exoot: een organisme dat door menselijk handelen in Nederland terechtgekomen is en zich dusdanig snel vermeerdert, dat ze schadelijk is voor de oorspronkelijke natuur.

Het is blijkbaar niet correct om alle in het wild levende planten en dieren als ‘natuur’ te categoriseren. Het Van Dale Groot Woordenboek is het met de NVWA eens en definieert natuur als: “wat de mens om zich heen ziet en wat beschouwd wordt als nog niet door de mens gewijzigd.” Er is een prototype Nederlandse natuur, een blauwprint van hoe de natuurlijke omgeving eruit hoort te zien, en buxusmotten staan niet op de kaart. De term boswachter doet vermoeden dat de medewerker van, zeg, Natuurmonumenten op een uitkijktoren door een verrekijker tuurt, op jacht naar stropers of crossmotoren die de natuur verstoren tijdens het natuurzijn. Ondanks de naam van de organisatie bewaakt een boswachter echter geen monument. De natuur wordt actief beheerd om haar te houden zoals ze is. Wildpopulaties worden gemonitord en het teveel wordt afgeschoten. Invasieve exoten worden verwijderd. Gewenste begroeiing wordt aangeplant en open plekken worden open gehouden, zodat zandverstuivingen ontstaan en heide kan groeien.

Zand- en heidegebieden zijn onmisbaar in de door ons gedefinieerde proto-natuur. Het lijkt natuurlijk, maar als deze open plekken niet door honderden vrijwilligers, bosbeheerders en schapen kaal gehouden worden, groeien ze dicht met gras en dennenboompjes. Via het natuurlijke proces van verbossing zou het landschap langzaam terugkeren naar de staat die het had voordat de middeleeuwse mens het door plaggen en maaien kaalsloeg. Van het oerbos dat zich ooit over heel Nederland uitstrekte, is niets meer over. Inmiddels hebben zoveel planten en dieren zich aangepast aan het zand dat dit cultuurlandschap tot natuur is verheven. Kosten noch moeite worden gespaard om de heide in stand te houden. Het streven naar een rijke biodiversiteit is blijkbaar belangrijker dan de ontstaansgeschiedenis van het landschap, natuur of geen natuur.

Dat het streven naar proto-natuur niet onbetwist is, blijkt ook uit de maatschappelijke discussie rondom de Oostvaardersplassen. In het toentertijd rijkbegroeide natuurgebied zijn in de jaren tachtig de eerste heckrunderen en konikpaarden uitgezet. Aanvankelijk werden ze regelmatig bijgevoerd en ’s winters op stal gezet, maar in 1996 werd het zogeheten wildernismodel ingevoerd: door een ambtelijke beslissing veranderde het vee van de een op de andere dag in wild. De langharige, vaalbruine dieren passen ogenschijnlijk prima in het plaatje, maar ze zijn uit het buitenland geïmporteerd en hebben genetisch meer verwantschap met melkkoeien en dressuurpaarden dan met hun prehistorische voorvaderen – voor zover die al in Nederland rondzwierven. De grazers uit de Oostvaardersplassen vallen onder de NVWA-definitie van invasieve exoten, niet alleen vanwege hun buitenlandse afkomst, maar ook qua natuurschade. De kuddes veranderden het weelderige moerasgebied binnen een paar decennia in een kaalgevreten steppe, waar veel van de oorspronkelijke, door de boswachters zo gekoesterde biodiversiteit uit verdwenen is. De kuddes tellen inmiddels duizenden exemplaren waarvan er elk jaar een groot gedeelte de winter niet overleeft. Afgelopen winter stierf meer dan de helft van de populatie. Ondanks alle protesten houdt Staatsbosbeheer aan het wildernismodel vast en beargumenteert dat er in de natuur nu eenmaal dieren sterven. Tegenstanders zijn van mening dat het Oostvaardersplassengebied geen natuur is, maar een groot weiland, met verwaarloosd vee achter een hek. Een handtekening maakt van een paard nog geen zebra.

De vraag zou mijns inziens niet moeten zijn of het proces van kaalvreten, voortplanten en verhongeren een natuurlijk fenomeen is – ik ben bang van wel – maar of natuur eigenlijk wel te verkiezen is boven cultuur. De natuur is wreed. Een kat speelt met een levende muis en lijkt niet in staat tot medeleven met zijn prooi. De mens heeft gedurende die tienduizenden jaren van verjagen, ontbossen, verbouwen en verbranden ook een beschaving opgebouwd waar een waardenstelsel bijhoort dat misschien kunstmatig, maar daardoor niet minder relevant is. Juist door uit te stijgen boven een bestaan van eten en gegeten worden, vluchten en vechten, hebben wij de mogelijkheid om de wereld te vormen naar een situatie die zo aangenaam mogelijk is voor onszelf en onze omgeving. ‘Zo is nu eenmaal de natuur,’ zou nooit een argument mogen zijn voor lijden dat te voorkomen is.

Het maakt niet uit of de buxusrups hier vroeger ook al voorkwam, of niet. Het maakt niet uit hoe de zandverstuivingen zijn ontstaan. Het maakt niet uit of er zonder menselijk ingrijpen ook runderen van de honger omkomen. Wanneer wij keuzes maken over natuurbeheer moeten we onze menselijke waarden laten meewegen: de empathie voor de prooi zowel als het streven naar biodiversiteit.

Het concept ‘natuur’ heeft mij altijd verwonderd. Aan de hand van voorbeelden zoals de Oostvaardersplassen, de buxusrups en zandverstuivingen, vraag ik me in het essay Binnen de perken af hoe de mens bepaalt wat natuur is en mag zijn. En: is dat iets om na te streven?

Back To Top